Het klimaat tijdens de vikingtiijd in Nederland en europa

Van het zuidelijk halfrond zijn nauwelijks meteorologische gegevens beschikbaar van voor de tijd dat de Europeanen op ontdekkingsreis gingen. Voor het noordelijk halfrond ligt dat anders: er zijn zeer grote hoeveelheden waarnemingen en beschrijvingen bekend. Dat gaat voor West-Europa terug tot de Middeleeuwen, in sommige andere gebieden nog verder.

De Vikingen konden door het warmere klimaat in de Middeleeuwen verre tochten over zee maken en zich op Groenland vestigen.

Uit de eeuwenlange waarnemingen is bekend dat het klimaat op het noordelijk halfrond in de afgelopen eeuwen sterk heeft gefluctueerd. Zo was het duizend jaar geleden, tussen 890 en 1170, warm. Dat ging gepaard met een sterke uitbreiding van de bossen, tot in Rusland toe.

Het ijs op Groenland smolt zover af dat de Vikingen zich er konden vestigen. Na dit Middeleeuws optimum daalde de temperatuur om een tijd min of meer gelijk te blijven, totdat tussen 1580 en 1850 een koude tijd optrad, die wel als de 'Kleine IJstijd' wordt aangeduid.

[Bron: NGV, prof. dr. A.J. van Loon]


Weersomstandigheden werden en worden nog steeds gekoppeld aan bijzondere omstandigheden in de samenleving, zoals een slechte oogst vanwege hevige neerslag met als gevolg hongersnood voor mens en dier. Maar ook oorlog, aardbevingen, zonsverduisteringen, kometen, hevige stormen en de invallen van de Vikingen maken veel indruk op de bevolking.





De gegevens waar ik (met toestemming van de uitgeverij) gebruik van heb gemaakt komen uit het boek 'Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen', Deel 1 Tot 1300 van auteur J. Buisman.


De 'vikingtijd' loopt grofweg van 800 tot 1100 na Chr. Van deze tijd geef ik de jaren weer waarin Vikingen een grote rol spelen, maar ook jaren met bijzondere of opmerkelijke omstandigheden.








810-811

Het was een strenge winter. Conflicten in het Oostzeegebied vormen het begin van de beruchte invallen van de Noormannen.


820

Aanhoudende regens veroorzaken slechte oogst. Door gebrek aan warmte was er een karige wijnopbrengst, de wijn was zuur en onsmakelijk.


834-837

Van 834-837 plunderen de Vikingen ieder jaar de bekende handelsnederzetting Dorestad, gelegen waar een Rijntak (de latere Kromme Rijn) de Lek verlaat, dus aan de belangrijke binnenvaartweg van de Rijn naar het hart van ons land, Utrecht, en verder via de Vecht naar Stavoren, de Noordzee en noordelijke streken. Deze plunderingen hebben overigens niet de ondergang van Dorestad gebracht. De Vikingen hebben weliswaar veel buit meegenomen, maar de havenwerken intact gelaten. Later in 863 moet Dorestad het opnieuw ontgelden. In het jaar 837 zijn er veelvuldig 'geweldige wervelwinden' (intens turbo ventorum) losgebarsten, ook wordt er een grote komeet gezien.


838-839

Op 26 december 838 worden bijna alle kuststreken van de Lage Landen door de zwaarste stormvloed in deze eeuw getroffen.


844-845

De winter is zeer streng. De Noormannen verwoesten de oevers van de Seine, maar Karel weet de plundering van Parijs af te kopen. Er heerst hongersnood, waarbij duizenden mensen omkomen.

In de Wormsgau worden twee aardschokken waargenomen, een in de nacht van 22/23 maart en een in de paasnacht, 28/29 maart 845.


851-852

Op 24 maart 852 ziet men alom in de Lage Landen een ringvormige zonsverduistering. Met de totale eclips van 878 is dit de meest indrukwekkende zonsverduistering in onze streken in een paar eeuwen. De warmte is buitengewoon in 852; hongersnood. Maar de herfst is gunstig (omgeving Nijmegen).

In 851 wordt de St. Baafsabdij te Gent door de Noormannen verwoest, de monniken vluchten vervolgens naar St. Omaars en later naar Laon.


860-861

In januari hebben de Denen de stad Parijs geplunderd en enkele kerken in brand gestoken. Ook nemen ze kooplui gevangen die per schip langs de Seine stroomopwaarts trachtten te vluchten. Als gevolg van het winterweer in 860 heerst er hongersnood in 861.


861-862

In het gebied met de Seine zijn de Vikingen in 861 nog steeds actief. Later in het jaar belet de invallende winter 861-862 de Denen om langs de Seine weer de zee op te varen, aldus Hinkmar, aartsbisschop van Reims. In 862 heerst er grote hongersnood en sterfte in Germanië en andere delen van Europa.


862-863

De winter van 863 is erg winderig, veranderlijk en nat, vorst komt nauwelijks voor.

De Noormannen varen in januari 863 met hun schepen langs de Rijn naar Keulen, plunderen voor de laatste keer Dorestad, maar worden bij Neuss tegengehouden. Na deze plunderingen schijnt Dorestad zich niet meer te hebben hersteld, het wordt niet meer genoemd. Blijkbaar was herbouw op dezelfde plaats niet meer lonend. Overigens hebben de Noormannen bij hun plunderingen de havenwerken

(de kip met de gouden eieren!) intact gelaten. Het verval van Dorestad heeft dan ook meer te maken met een verlegging van de waterloop, dus met een natuurlijk proces. In deze tijd is de Lek al minstens anderhalve eeuw een belangrijke afvoerweg van het Rijnwater, naast de aloude Rijn die langs Dorestad, Utrecht en Leiden stroomt. Laatstgenoemde rivier zal in de komende eeuwen steeds verder verschrompelen. Er zijn in 863 overstromingen, waarschijnlijk van de Rijn.


879-880

De winter was hard en duurde ongewoon lang. De Rijn en de Main, die door de kou waren dicht-gevroren, waren lange tijd begaanbaar. In 879 doen de Vikingen een grote inval in de Lage Landen, het eerst is Vlaanderen aan de beurt. Misoogst en gebrek heersen er in 880 rond Worms en elders in het rijk.


880-881

De Vikingen hebben van 879 tot 885 grote invloed in de Lage Landen, eerst vestigen ze zich in Vlaanderen en vanuit Gent roven ze de streek leeg. Later trekken ze naar de Maasstreek en eind 880 slaan ze hun winterkwartier op in Nijmegen. Koning Lodewijk (de Jongere) van Oost-Frankenland trekt tegen hen op, maar moet onverrichter zake terugkeren wegens de strengheid van de winter en de sterkte van de plaats. Het winterweer duurt erg lang en is zeer schadelijk voor de dieren, nog in de lente hebben ze door de bevroren bodem niets te eten. Veel dieren komen om van de kou en honger, mede als gevolg van de misoogst van het voorafgaande jaar.


885

Intussen hebben de Vikingen na vijf maanden lang Vlaanderen te hebben geplunderd, dit gebied verlaten. Daar neemt Boudewijn II het bestuur in het Scheldegebied over, waarmee hij de grondslag legt voor het latere graafschap Vlaanderen. In 885 verlaten de Vikingen ook de Maasstreek omdat er niets meer te halen is. De stichting van een Noormannenrijk in Friesland mislukt, doordat Godfried de Zeekoning in de Betuwe wordt vermoord. Daarmee komt er einde aan de gevaarlijk invasie van 879. Achter de moord zit een zekere Gerulf, die wordt beschouwd als stamvader van de latere Hollandse graven.


885-886

Op 6 februari wordt Parijs tijdens een beleg door de Vikingen getroffen door een plotseling sterke was van de Seine waardoor de kleine brug instort. In februari 886 heeft de strijd tegen de Noormannen te lijden onder regen en invallende kou.


976

In augustus 976 is de wijn bijzonder duur.


977

Men heeft bij de wijnoogst zoveel wijn, dat die bijna niets waard is!


993-994

De 10de eeuw biedt klimatologisch een opmerkelijk beeld: de bekende zomers en winters zijn haast continentaal en verscheidene zomers zijn (erg) droog. Dit beeld wordt bevestigd door archeologisch onderzoek, bijvoorbeeld op de Veluwe, waar het dorp (Oud) Kootwijk wegens uitdroging van het nabijgelegen meertje wordt verlaten. Mogelijk vormen zich in deze eeuw de eerste zandverstuivingen op de Veluwe en aan de kust de eerste Jonge Duinen. In het binnenland komt de veenontginning op gang.


1006-1007

In 1006 plunderen de Vikingen de handelsstad Tiel en een jaar later, in 1007 komen ze nog eens terug en gaan op Utrecht af. De bewoners slaat de schrik om het hart en uit vrees leggen ze zelf hun koopmanswijk in de as. Maar de Noormannen blijken nu, geheel anders dan in de 9de en 10de eeuw, geen kwaad meer in de zin te hebben. Ze verklaren uit religieuze overwegingen te komen en omdat daar bisschop Ansfried, een heilig man, regeert. Het is hun laatste invasie, na 1007 valt deze dreiging uit het noorden weg.


Tot diep in de 10de eeuw heerst er in grote delen van Europa een toestand die wel als ‘Aziatisch immobilisme’ is aangeduid. De meeste mensen zijn betrokken bij de zogenaamde oerproduktie, die van voedsel, kleding en onderdak. De samenleving is sterk agrarisch-autarkisch van karakter. Hier moet aan worden toegevoegd, dat dit in veel mindere mate geldt voor de Lage Landen waar relatief veel mensen leven van handel en nijverheid.

In de nu verstreken 10de eeuw waren de landbouwmethoden nog primitief en daardoor waren de opbrengsten zo laag, dat de bevolking nauwelijks kon toenemen. Bovendien hadden de Westeuropeanen vele tientallen jaren te lijden onder de invallen van de Vikingen en Magyaren (Hongaren), terwijl ze zich bovendien bedreigd voelden door de Slavische volkeren van achter de Elbe en de de Saracenen vanuit Zuid-Europa. Maar na het jaar 1000 verbetert de politieke situatie zienderogen en er breekt een periode aan van betrekkelijke rust en veiligheid, waardoor de mensen meer vertrouwen in de toekomst krijgen. De 11de, 12de en 13de eeuw staan daardoor in het teken van economische bloei en van een aanzienlijke groei van de bevolking.


Terug naar boven